Meditatie en onderzoek – Frits

Tegenwoordig is er veel wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van het beoefenen van mindfulness en zelfcompassie. Ik moet eerlijk bekennen dat ik daar weinig precieze inhoudelijke informatie over kan verstrekken, ook al staat mijn naam stoer bij enkele onderzoeksrapporten over het ontwikkelen van (zelf)compassie. Maar de tijd dat ik mij academisch had kunnen vormen heb ik gestudeerd, gemediteerd en geknikkebold in boeddhistische meditatiecentra in Zuid-Oost Azië; ik heb me de technische termen die horen bij de wetenschap dan ook nooit goed eigen kunnen maken.

 

Ik begrijp echter wel dat ook een korte training in mindfulness al waardevolle effecten laat zien en kan dit gemakkelijk koppelen aan mijn ervaringen als mediterende.

Vanuit onderzoek lijken de volgende werkingsmechanismen gunstig beïnvloed te worden:

  • Aandachtregulatie: een grotere flexibiliteit in het kunnen richten en het in- en uitzoomen met aandacht.
  • Meer lichaamsbewustzijn en daardoor meer innerlijke rust en geaardheid als mens.
  • Een wijzere emotieregulatie.
  • Perspectiefverschuiving, waarbij we minder geobsedeerd door de inhoud van gedachten en overtuigingen zijn en ze kunnen zien als voorbijgaande processen die voorbij komen.
  • Een grotere mildheid naar onszelf toe.

 

Ik ben een grote fan van onderzoek. Dit heeft er immers voor gezorgd dat mindfulnessbeoefening uit een wazige mystieke hippiesfeer is geraakt. Het is nu zelfs helemaal ‘in’ om mindfulness te beoefenen. Zo benoemt Dan Harris, auteur van het amusante 10% happier (HarperCollins, 2014) een westerse tendens om mindfulness te beschouwen als een ‘vlotte en effectieve software upgrade voor de hersenen’. Elk voordeel heeft zijn nadeel, sceptici wijzen terecht op (ethische) vergroeiingen en misverstanden die hieruit ontstaan en spreken van McMindfulness.

 

Er blijkt echter niet alleen meer een grote vloed aan kortdurend onderzoek te zijn. Richard Davidson en Daniel Goleman, auteurs van Altered Traits (Penguin, Random House, 2017), zijn pioniers geweest op het gebied van onderzoek bij meditatie. Zij hebben niet alleen kortdurend onderzoek verricht maar hebben vanaf de jaren ’70 de effecten van meditatiebeoefening ook verkend op een langere termijn. Vanuit het besef dat de hersenen niet statisch zijn maar ‘neuroplasticiteit’ vertonen, kwamen zij tot de ontdekking dat een langduriger en regelmatiger beoefenen van meditatie niet alleen positieve effecten op de korte termijn vertoont. Het zorgt onder andere voor een lagere stressreactiviteit in het algemeen en een hogere fijngevoeligheid en afstemming bij compassiegerichte meditatie. Bij ‘Olympische’ mediterenden, die gemiddeld zo’n 27.000 uren in hun leven op een meditatiematje hebben doorgebracht, worden duidelijke heilzame karakterveranderingen waargenomen en een grotere moeiteloosheid in het beoefenen van meditatie. Hun hersenen lijken ook langzamer te verouderen.

 

We zijn dus met de beoefening bezig met een geleidelijke innerlijke beauty make-over. Soms ervaren we het oefenen als prettig, soms als onprettig en vaak ook als neutraal, maar regelmatige beoefening blijkt dus wel kunst en souplesse te baren. De Boeddha heeft dus wel gelijk gehad, toen hij niet alleen sprak van momentane vrijheid (tadanga nirodha) maar ook van een meer duurzame innerlijke vrijheid (vikkhambhana nirodha). Hij sprak ook nog van volledige vrijheid (samuccheda nirodha), waarmee hij verwees naar een voor iedereen mogelijke diepere en transformerende verwezenlijking van bevrijdend inzicht. Wie weet wordt dat ook nog wel eens onderzocht.